| Preek
209 De ware geest van de
vastentijd
|
| 1.
Weer is de jaarlijks terugkerende tijd gekomen, waarin ik u, mijn
geliefden, moet aansporen, om ernstiger dan anders aan uw zielenheil te
denken en uw lichaam te kastijden. Dit zijn immers de veertig dagen, die
over de gehele aarde geheiligd zijn, die de gehele wereld, welke God
door Christus met zich verzoent, bij het naderen van het Paasfeest viert
door betogingen van vroomheid. Indien vijandschappen, die óf niet hadden moeten ontstaan, óf snel tot een einde hadden moeten komen, door onachtzaamheid of koppigheid of door een, niet door bescheidenheid maar door trots ingegeven, schaamtegevoel tot op heden onder de broeders hebben voortbestaan, dan moet daaraan nu terstond een einde gemaakt worden. Die vijandschappen, waarover de zon niet had mogen ondergaan, moeten nu althans, nadat de zon vele malen is op- en ondergegaan, zelf eindelijk ten ondergaan, om niet weer opnieuw op te komen. De onachtzame vergeet, een einde te maken aan de vijandschap, de koppige wil geen vergiffenis schenken, als die hem gevraagd wordt, het trotse schaamtegevoel acht het beneden zich, vergiffenis te vragen. Ten gevolge van deze drie fouten blijven de vijandschappen bestaan, maar de zielen, waarin zij niet sterven, doden zij. Laat het geheugen waakzaam zijn tegen de onachtzaamheid, de barmhartigheid tegen de koppigheid en een nederig inzicht tegen het trotse schaamtegevoel. Laat hij, die zich herinnert, dat hij de plicht van de verzoening verwaarloosd heeft, ontwaken en zijn loomheid van zich afschudden; laat hij, die het zijne wil terugeisen van zijn schuldenaren, bedenken, dat hij zelf een schuldenaar van God is; laat hij, die zich schaamt, te vragen dat zijn broeder hem vergeeft, door een heilzame vrees deze valse schaamte overwinnen, opdat, door het beëindigen van schadelijke vijandschappen, gij leeft, nadat zij gestorven zijn. Dit alles doet de liefde, die niet verkeerd handelt. De liefde, mijn broeders, moet, voor zover zij aanwezig is, ontwikkeld worden door een goed leven, in zoverre zij echter ontbreekt, moet zij verkregen worden door het gebed. 2.Als wij nu onze gebeden op passende wijze willen ondersteunen - wij moeten immers in deze dagen vuriger bidden - moeten wij ook vuriger zijn in het geven van aalmoezen. Laten wij aan die aalmoezen toevoegen wat wij onszelf, door te vasten en door ons iets van de gebruikelijke spijzen te ontzeggen, onthouden. Maar hij, die wegens een bijzondere lichamelijke behoefte en omdat hij aan bepaalde spijzen gewend is, zich niet kan onthouden en dus niet aan de armen kan geven wat hij zichzelf ontzegt, die moet nog rijkelijker aalmoezen geven. Hij moet daarom des te meer aan de arme geven, omdat hij zichzelf niets ontzegt; daar hij zijn gebeden niet kan ondersteunen door de kastijding van zijn lichaam, moet hij rijkelijker aalmoezen sluiten in het hart van de arme, opdat deze voor hem kan bidden. Deze heilzame raad, die wij zeker moeten opvolgen, is ontleend aan de heilige Schrift: Sluit - zo staat er - uw aalmoezen op in het hart van de arme en deze zal voor u bidden. 3.
Wij vermanen ook hen, die zich van het gebruik van vlees onthouden, om
niet het vaatwerk, waarin dit bereid wordt, als onrein ongebruikt te
laten. De apostel zegt immers: Voor de rijnen is alles rein. De
bedoeling van dit soort voorschriften is trouwens niet het vermijden van
onreinheid, maar het beteugelen van de begeerte. Zij, die zich onthouden
van vlees, maar andere spijzen, die moeilijker toe te bereiden zijn en
kostbaarder zijn, daarvoor in de plaats stellen, handelen dan ook
absoluut verkeerd. Dit is immers niet zich onthouding opleggen, maar
veranderen van overdaad. Hoe kunnen wij hun zeggen, dat zij aan de armen
moeten geven wat zij zichzelf ontzeggen, als zij wel het gewone voedsel
laten staan, maar meer geld uitgeven voor het kopen van andere spijzen?
Gij moet dus in deze dagen vaker vasten, minder geld voor uzelf uitgeven
en meer aan de armen geven. |