| DE CATECHISMUS VAN DE
KATHOLIEKE KERK
|
|
| Elk
jaar worden we aangemoedigd onze harten voor te bereiden op Pasen, waar
we de opstanding van Christus uit de
doden vieren. Het is een tijd om na te denken over hoe
God ons verlost heeft van de eeuwige dood. De Catechismus van de Katholieke Kerk legt het als volgt uit:
|
|
| 538 | De evangelies spreken over een
tijd van eenzaamheid van Jezus in de woestijn onmiddellijk na zijn doop
door Johannes: "Gedreven door de Geest" naar de woestijn,
verblijft Jezus daar veertig dagen zonder te eten; Hij leeft er met de
wilde dieren en de engelen dienen Hem (Vgl.
Mc. 1,12-13). Aan het einde van deze tijd stelt Satan hem
driemaal op de proef, waarbij hij probeert de houding van Jezus als Zoon
tegenover God ter discussie te stellen. Jezus slaat deze aanvallen af,
die de bekoringen van Adam in het paradijs en die van Israël in de
woestijn samenvatten, en de duivel verwijdert zich van Hem "tot de
vastgestelde tijd" (Lc. 4,13).
|
| 539 | De evangelisten wijzen op de
heilzame betekenis van dit mysterieus gebeuren. Jezus is de nieuwe Adam,
die waar de eerste Adam bezweken is voor de bekoring, trouw gebleven is.
Jezus vervult op volmaakte wijze de roeping van Israël: in
tegenstelling tot hen die eertijds gedurende veertig jaar God tartten in
de woestijn (Vgl.
Ps. 95,10), openbaart Christus zich als de dienaar Gods, die
geheel gehoorzaam is aan de goddelijke wil. Daarin overwint Jezus de
duivel: Hij heeft "de sterke gebonden" om hem zijn buit weer
af te nemen (Mc. 3,27). De overwinning van Jezus op de verleider in de
woestijn loopt vooruit op de overwinning van het lijden, de hoogste vorm
van gehoorzaamheid van zijn kinderlijke liefde voor de Vader.
|
| 540 | De bekoring van Jezus laat
zien hoe Gods Zoon - in tegenstelling tot wat de Satan Hem voorstelt en
de mensen (Vgl. Mt.
16,21-23) Hem willen toeschrijven - Messias is. Daarom heeft
Christus de verleider voor ons overwonnen: "Want wij hebben
een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij
werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij,
afgezien dan van de zonde" (Heb. 4,15). De kerk verenigt zich ieder
jaar gedurende de veertig dagen van de grote vasten met het
mysterie van Jezus in de woestijn.
|
| 1434 | De
innerlijke boetvaardigheid van de christen kan zich op uiteenlopende
wijzen uiten. De Schrift en de Kerkvaders leggen vooral op drie vormen
de nadruk: het vasten, het gebed en de aalmoes (Vgl.
Tob. 12,8; Mt. 6,1-18); het zijn
uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en
tot de anderen. Naast de grondige zuivering die het doopsel of het
martelaarschap bewerken, noemen zij als middel om vergiffenis van de
zonden te verkrijgen: de inspanning om zich met zijn naaste te
verzoenen, de tranen van boete, de zorg voor het heil van de naaste (Vgl.
Jak. 5,20), de voorspraak van de
heiligen en de naastenliefde "die tal van zonden bedekt" (1
Petr. 4,8).
|
| 1438 | Boetetijden
en boetedagen tijdens
het liturgisch jaar (de vastentijd, elke vrijdag ter gedachtenis van de
dood van de Heer) zijn voor de kerk gelegenheden bij uitstek om boete te
doen (Vgl. SC 109-110;
CIC, can. 1249-1253; CCEO, can. 880-883).
Deze tijden zijn uitermate geschikt voor retraites, boetevieringen,
bedevaarten als teken van boete, dingen die men zich vrijwillig ontzegt,
zoals vasten en aalmoezen geven en broederlijk delen (liefde- en
missiewerken).
|
| 2042 |
Het eerste gebod ("Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie") vraagt van de gelovigen deel te nemen aan de eucharistieviering waartoe de christelijke gemeenschap zich verzamelt op de dag die de verrijzenis van de Heer herdenkt (Vgl. CIC, can. 1246‑1248; CCEO, can. 881, 1.2.4). Het tweede gebod ("Ten minste eenmaal per jaar biechten") verzekert de voorbereiding op de eucharistie door het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening, dat de bekering en vergeving van het doopsel voortzet (CIC, can. 989: CCEO, can. 719). Het derde gebod ("In de paastijd de heilige communie ontvangen") geeft de minimumeis aan wat betreft het ontvangen van het lichaam en bloed van de Heer in verband met de paasvieringen, die oorsprong en kern zijn van de christelijke liturgie (Vgl. CIC, can. 920; CCEO, can. 708; 881,3).
|
| 2043 |
Het vierde gebod ("De verplichte feestdagen vieren als zondag") vervolledigt de zondagsplicht door de deelname aan de voornaamste liturgische feesten, die de mysteries eren van de Heer, de maagd Maria en de heiligen (Vgl. CIC, can 1246: CCEO, can. 881,1.4: 880,3). Het vijfde gebod ("Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op vastendagen vasten") beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven (Vgl CIC, can 1249-1251; CCEO, can 882). De gelovigen hebben ook de verplichting om - ieder volgens zijn mogelijkheden - tegemoet te komen aan de materiële noden van de Kerk (Vgl. CIC, can. 222). |