Niet meer op onszelf gericht, maar op God gericht

Een gewetensonderzoek voor de Veertigdagentijd

Als je wilt dat je gebeden naar God vliegen, rust ze dan uit met de twee vleugels van vasten en aalmoezen.

Deze goede raad van St. Augustinus daagt ons uit het “heilige drietal” na te streven, waartoe de kerk ons iedere Veertigdagentijd opnieuw oproept. Net zoals geloof, hoop en liefde, werken ook de drie deugden van vasten, gebed en aalmoezen geven samen om ons af te keren van zelfgerichtheid en ons toe te keren naar God. Ze openen ons voor Zijn liefde en genade en rusten ons toe om Zijn vertegenwoordigers in deze wereld te worden.

We weten allemaal dat deze drie werken niet altijd gemakkelijk zijn, maar God kent onze zwakte. Hij kent ook onze mogelijkheden – vooral als Hij Zijn genade in ons uitstort. Hij weet dat iedere stap die wij naar Hem toe zetten de mogelijkheid heeft om ons een klein beetje te veranderen naar het beeld van Christus.

Als je jezelf tijdens deze Veertigdagentijd voorbereidt op het sacrament van boete en verzoening, vraag jezelf dan af in hoeverre in jouw leven de nederigheid en het godsvertrouwen zichtbaar worden, die in de kern verbonden zijn met het vasten, het gebed en het geven van aalmoezen. 

  1. Waar heb je te weinig beantwoord aan Gods oproep om je af te keren van zelfgerichtheid?

  2. en nog belangrijker: hoe kun je meer worden zoals Jezus – die volledig leefde voor God en andere mensen, en niet voor zichzelf? 

Jezus “ging de berg op om er te bidden.” (Marcus 6,46)

  • Zijn er subtiele – of minder subtiele – manieren waarin ik mijn relatie met God heb verwaarloosd?

  • Heb ik iedere dag tijd gemaakt om God in gebed te ontmoeten? Lees ik Zijn woorden aan mij in de Bijbel, bezin ik me daarop en leef ik ernaar?

  • Heb ik prioriteit gegeven aan God op zondagen en andere heilige dagen door naar de Mis te gaan en speciaal moeite te doen om Hem te zoeken?

“Keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen.” (Joël 2,12)

  • In hoeverre vertrouw ik op God om mij te vervullen, en hoe verhoudt zich dat tot de zekerheid die ik zoek in geld, bezittingen en andere relaties?

  • Zijn er aspecten van mijzelf die ik bij God vandaan houd – geheime delen die ik niet aan Zijn licht en liefde wil blootstellen?

  • Heb ik er onzuivere gedachten op na gehouden die erop gericht waren om mijzelf te koesteren en te belonen? Heb ik aan deze gedachten toegegeven?

“Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken? Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?” (Isaiah 58,6-7) 

  • Kan ik me enige situatie herinneren waarin ik verzuimd heb te zorgen voor de mensen die God in mijn leven heeft gebracht? Heb ik geweigerd hun noden vóór die van mijzelf te plaatsen?

  • Doe ik wat ik kan om op te staan tegen onrechtvaardigheid, en om de ongeborenen, de armen en de weerlozen te beschermen? Zijn er de laatste tijd situaties geweest waarin ik de leiding van de Geest hierin niet gevolgd heb?

  • Is er iemand die ik niet behandeld heb met het respect en de waardigheid die hij of zij verdient als kind van God?

“Geef aalmoezen van wat je bezit.” (Tobit 4,7) 

  • Ben ik een goede rentmeester geweest over de gaven die God mij gegeven heeft? Gebruik ik ze voor Zijn glorie?

  • Ben ik gierig geweest met mijn tijd en mijn gaven? Draag ik actief bij aan de ondersteuning van het werk van de kerk en andere organisaties die armen en behoeftigen bijstaan?

  • Zijn er omstandigheden waarin ik weiger de “aalmoes” van vergeving te schenken aan iemand die mij gekwetst heeft? Is er iemand die ik zou moeten vergeven? Iemand aan wie ik vergeving zou moeten vragen?