“Noemt u dat vasten?”

“Echt” en “onecht” vasten

Het vasten waartoe we elke Veertigdagentijd worden geroepen, dient gericht te zijn op God en zijn koninkrijk. Ten diepste is vasten een soort gebed. En net als alle andere gebeden is het bedoeld om God te eren en Zijn hulp te zoeken om te kunnen gehoorzamen aan Zijn geboden.
Nergens wordt dat duidelijker aangegeven dan in het boek Jesaja, hoofdstuk 58. In dit Schriftgedeelte berispt de profeet Jesaja de kinderen van Israël, dat ze het vasten beperken tot het fysieke aspect, terwijl ze al die tijd blijven vasthouden aan egocentrische, zondige gewoonten.

Laten we daarom eens over dit hoofdstuk nadenken en vragen of deze woorden uit de Schrift ons kunnen laten zien wat we kunnen ervaren en kunnen bereiken wanneer we in deze Veertigdagentijd vasten en bidden.

Een korte samenvatting van Jesaja 58

Ga er even voor zitten om Jesaja 58 een paar keer te lezen. In de eerste paar verzen veroordeelt de Heer Israëls benadering van het vasten als leeg en schijnheilig (Jesaja 58,1-5). Vervolgens beschrijft Hij hoe echt vasten eruit moet zien (58,6-7). En Hij eindigt met het schilderen van de wonderen die uit het echte vasten kunnen voortvloeien (58,8-14). Dit hoofdstuk zegt ons dat als we verder gaan dan een oppervlakkige benadering en het vasten aangaan in de juiste geest, dat dan onze harten en gedachten zullen veranderen – en die verandering zal blijken uit onze woorden en daden. Laten we nader bezien wat de profeet ons te zeggen heeft.

Onecht vasten – Jesaja 58,1-5

Waarom ziet U niet dat wij vasten, merkt U niet dat wij ons vernederen? (Jesaja 58,3)

Deze boze uitroep was afkomstig van mensen die rigoureus leken te vasten en zich afvroegen: “Waar zijn alle zegeningen? Waarom zouden we vasten als God ons er niet voor gaat belonen?”

En God antwoordde in ondubbelzinnige bewoordingen. Hij liet hun weten dat Hij door hun vrome masker heenkeek. Dwars door hun plichtplegingen heen keek Hij regelrecht in hun hart en was niet blij met wat Hij daar zag. Ze beweerden dat ze vastten en de leiding van de Heer zochten. Ze beweerden dat ze nederig tot God waren genaderd en verlangend om dicht bij Hem te zijn. Ze beweerden dat ze Gods geboden wilden houden. 

Maar God zag dat hun beweringen iedere grond misten. Hoe kon een volk vasten, vroeg Hij, terwijl ze elkaar zo onrechtvaardig behandelden en zo zelfzuchtig waren? Hoe konden ze vasten en tegelijk zoveel minachting tonen voor zijn wetten? Je kunt de profeet bijna de vraag horen stellen die bedoeld was om het geweten van de mensen te prikkelen: “noemt u dat soms vasten, en een dag die de HEER behaagt?” (Jesaja 58,5)

Wij zijn misschien lang niet zo arrogant – of los van God – als de Israëlieten schenen te zijn. Maar toch moet deze passage ons ertoe bewegen onze eigen motieven te onderzoeken waar het vasten betreft. Zie ik een echte noodzaak om te vasten? Geloof ik echt dat er iets goeds kan voortkomen uit zelfverloochening? Ga ik in de Veertigdagentijd meer vasten uit gewoonte en traditie dan uit een verlangen om dichter bij de Heer te komen?

Echt vasten – Jesaja 58,6-7

In twee korte verzen onderscheidt de profeet echt vasten van onecht vasten. Het is wel duidelijk: het soort vasten dat God van zijn volk verlangt, leidt tot veranderingen, zowel innerlijk als in de wereld om ons heen. Een van Gods bedoelingen met het vasten is dat het ons helpt om ons te vereenzelvigen met de armen – mensen die honger hebben, niet omdat ze daarvoor kiezen, maar omdat ze geen andere keuze hebben. Hij wil dat ons vasten ons een hart geeft met compassie voor hen, zodat we ertoe overgaan de ketenen van het onrecht te verbreken, ons voedsel te delen met hen die honger hebben en onderdak te verlenen aan de daklozen.

De oproep om te zorgen voor de armen is misschien niet de enige reden waarom God ons oproept om te vasten, maar ze is wel belangrijk. Vasten zorgt ervoor dat allerlei ongelijkheden genivelleerd worden, iedereen wordt teruggebracht tot een staat van honger, nood en afhankelijkheid van de Heer. Het vernedert de rijken en brengt hen ertoe de armen omhoog te helpen. Als we merken dat ons vasten ons niet op de een of andere manier bij de armen brengt, moeten we ons hart onderzoeken of we de oproep van de Heer niet te lichtvaardig opvatten.

God wil dat allen die kwetsbaar of onderdrukt zijn, beschermd worden en bevrijd. Dat geldt voor armen, maar ook voor wezen en asielzoekers, voor mensen die misbruikt of mishandeld zijn, voor ongeboren kinderen, voor mensen die oud zijn en die gaan sterven. Hij wil dat we werken aan het einde van alle onrecht. We weten dat wij de handen, de voeten en de stem van Jezus zijn in deze wereld. We moeten ook weten dat God van ons verwacht dat we zijn licht worden op die duistere plaatsen waar de sterken de zwakken misbruiken en waar de rijken de armen uitbuiten of negeren. Vasten helpt ons om de verlangens van God tot werkelijkheid te maken.

“Dan . . . ” – Jesaja 58,8-14

Is het niet verbazingwekkend hoe God onze simpele daden van zelfverloochening gebruikt en ze beloont met krachtige zegeningen? De profeet Jesaja leert ons dat echt vasten wonderbaarlijke resultaten zal opleveren. Nadat hij heeft beschreven wat echt vasten is, schetst hij een prachtig beeld van een volk dat wandelt met God en de aarde herstelt. Hun licht breekt door “als de dageraad”. Zij kennen de hand van de Heer die hen leidt. Ze vinden nieuwe kracht waar anderen de moed verliezen. En hun hart is vol “genoegen” omdat God zelf hen voedt en geneest en hen vervult met zijn eigen genade en zegen.

Dit heerlijke visioen is niet alleen bestemd voor het oude Israël. Het is er ook voor ons. Het is Gods visioen voor de wijze waarop Hij wil dat de Kerk zich in deze wereld gedraagt – als een kracht tot genezing en herstel, als een licht in het donker en als een teken van Gods aanwezigheid voor allen die zich tot Hem keren.

Een paar honderd jaar voordat deze profetie werd uitgesproken, hoorde koning Salomo hoe de Heer een belofte deed die hier erg op leek. Salomo had net de tempel van de Heer in Jeruzalem ingewijd en terwijl hij bad, voelde hij dat God tegen hem zei: Wanneer “het volk waarover mijn naam is afgeroepen zich vernedert, bidt en mijn aanschijn zoekt, en zich bekeert van zijn slechte wegen, dan zal Ik het in de hemel verhoren, Ik zal hun zonde vergeven en hun land genezen.” (2 Kronieken 7,14). Zou het niet fantastisch zijn als we allemaal deze benadering kozen? Stel u voor hoeveel genezing, vernieuwing en hoop over alle volken zullen uitstromen als wij de oproep om te vasten en te bidden echt aanvaarden!

Hij is duidelijk een goede God, een liefhebbende en medelijdende God. Maar het is helder dat deze goede en liefhebbende God ook een rechtvaardige en heilige God is. Hij wil goede dingen doen voor zijn volk. Hij wil ons laten stralen als sterren aan de hemel (Filippenzen 2,15). Maar Hij zal onrecht of zelfzucht niet belonen. En dus roept Hij ons op om te vasten, zodat we gezuiverd kunnen worden. Hij roept ons op om te vasten zodat we kunnen stralen met zijn licht. 

Een beeld van de hemel

In veel opzichten geven deze laatste verzen ons een indruk van hoe het leven eruit zal zien wanneer Jezus terugkomt. Want wanneer Hij komt, zal Hij de wereld vervullen van zijn heerlijke aanwezigheid. Wanneer Hij komt, zullen rijk en arm, hoog en laag opgeleid, sterk en zwak allemaal worden opgewekt tot eeuwig leven. Iedere traan zal worden afgewist. Elk onrecht zal worden rechtgezet. Elk kwaad zal worden overwonnen. En we zullen allen één worden in zijn liefde en zijn genade. Tot die tijd roept God ons op om het reparatie- en herstelwerk te doen dat de wereld zo nodig heeft. Wat God het meest van ons verlangt, is dat we allemaal het evangelie verkondigen – dat we iedereen over Jezus vertellen en tot Hem brengen. Deze oproep tot evangelisatie impliceert de oproep “de aarde te onderwerpen” en haar te maken tot een plaats waar liefde en recht regeren. En vasten is een sleutelelement dat ons in staat stelt om deze hoge roeping te vervullen.

God wil dat we leren hoe we aan zijn wil de voorkeur kunnen geven boven onze eigen wil. Hij wil dat we ons toewijden aan zijn werk van recht, vrede en herstel. Hij wil dat we deze Veertigdagentijd – deze tijd van vasten – gebruiken om zijn plan met ons en de mensen om ons heen verder te brengen. Laten we daarom nagaan hoe we deze veertig dagen kunnen besteden met een bijdrage aan een wereld waarin ieder mens leeft in waardigheid en met verwachting. Laten we onszelf erop toeleggen zijn volk te zijn. Dan mogen we vreugde vinden in de Heer en die vreugde delen met ieder die we tegenkomen. Laten we Gods gebed – “als zijn volk” – waarmaken.