Het Sacrament van Verzoening in de Veertigdagentijd

 

Genade in de woestijn
Een gewetensonderzoek voor de Veertigdagentijd

Na veertig jaar zwerven in de woestijn, net toen de IsraŽlieten op het punt stonden het Beloofde Land binnen te trekken, beval God hun om sterk en moedig te zijn (Jozua 1,6). Hij wilde dat de IsraŽlieten zouden beseffen dat ze, hoewel Hij hun een eigen thuisland beloofde, met Hem mee moesten werken om die erfenis daadwerkelijk in ontvangst te kunnen nemen.

Op een vergelijkbare manier roept God ieder van ons op om sterk en moedig te zijn zodat wij op onze ďwoestijnĒ-reis in de Veertigdagentijd zijn vrijheid en genade kunnen ervaren. Jezus heeft de zonde al verslagen en nu roept Hij ons op om sterk te staan in het geloof. Hij roept ons op om te vertrouwen dat, wanneer wij dicht bij Hem blijven, al de genade van onze verlossing ons hart zal binnenstromen gelijk een kolkende rivier.

Dat is de reden waarom het Sacrament van Verzoening zo belangrijk is. Steeds wanneer wij ons tot God keren en onze zonden belijden, wast Hij ons schoon van ongerechtigheid zodat we verder kunnen trekken in de richting van het ďBeloofde LandĒ dat Hij ons gegeven heeft. Het volgende gewetensonderzoek is, ook al is het niet uitputtend, bedoeld om u te helpen die terreinen in uw leven aan te wijzen waar u mogelijk de oproep om sterk te zijn in de Heer opzij geschoven hebt. Overweeg in gebed de onderstaande vragen en vraag de heilige Geest om aan te duiden waar u berouw nodig hebt. Weet dat God u graag wil vergeven en u de kracht wil geven om alle beloften na te jagen die Hij ons gegeven heeft.

Liefde voor God (Marcus 12,28-30; Johannes 14,23-24). Op welke manieren zet ik God op de eerste plaats, boven al het andere? Maak ik tijd vrij om in gebed bij Hem te zijn? Beschouw ik Gods Kerk en haar wetten met respect en dankbaarheid?

Liefde voor anderen (Lucas 10,25-37; Johannes 13,12-15). Herinner ik me situaties waarin ik niet goed heb gezorgd voor de mensen die de Heer in mijn leven geplaatst heeft? Heb ik bij tijden geweigerd hun noden boven die van mezelf te plaatsen? Herinner ik me ook bepaalde situaties waarin ik iemand niet behandeld heb met het respect en de waardigheid van een kind van God?

Genade (MatteŁs 18,21-35; Johannes 8,1-11). Zijn er situaties waarin ik het moeilijk vind om iemand te vergeven die me gekwetst heeft? Zijn er groepen mensen die ik te snel beoordeeld heb op grond van hun positie op de maatschappelijke ladder, hun ras of hun uiterlijk? Zijn er situaties waarin ik Gods genade maar moeilijk kan aanvaarden en waardoor ik het dan moeilijk vind om jegens anderen genadig te zijn?

Nederigheid (Marcus 10,13-16; Filippenzen 2,6-11). Hoe vaak bedenk ik dat mijn talenten en gaven van God komen? Heb ik de mensen die ik geregeld ontmoet, behandeld als kinderen van God, ongeacht hun status of positie? In hoeverre verlaat ik me in de loop van de dag op de Heer en zijn genade en kracht?

Gulheid (Marcus 6,30-34; Lucas 6,38). Hoe makkelijk vind ik het om mijn tijd en gaven met anderen te delen? Ben ik royaal als het erom gaat liefdadige instellingen te steunen die zorg dragen voor arme en behoeftige mensen? Hoe sterk verlaat ik mij op de Heer als het gaat om mijn persoonlijk geluk, of vind ik mijn welbevinden meer in mijn materiŽle bezittingen?

Moed (Jozua 1,7-9; MatteŁs 23,37-39). Herinner ik me situaties waarin ik in liefde de waarheid had moeten spreken, maar het niet gedaan heb? Doe ik alles wat ik kan om op te komen tegen onrecht en om het ongeboren leven en arme en machteloze mensen te beschermen? Zijn er recente gebeurtenissen waarbij ik me niet tot het uiterste ingespannen heb omdat zich een of andere moeilijkheid voordeed?